niet aflatende brandende ogen in de tropen van sri lanka doen mij ‘s nachts naar de receptie van het hotel lopen.
na mijn verzoek om medische bijstand trekt de receptionist een beduimeld schrift vol met krabbels en telefoonnummers onder de balie vandaan.
inmiddels weet ik hoe het hier werkt.
familie, vrienden of zakenpartners worden nu gebeld en geraffineerd wordt overlegd hoe het noodzakelijke met het economische kan worden verenigd.

na drie telefoontjes wordt mijn lot duidelijk.
geen urenlange nachtelijke dodemansrit door jungle en oorlogsgebied naar een ziekenhuis in colombo, maar een lokale privékliniek zal zich over mij ontfermen.

of het ziekenhuis betrouwbaar is? tijdens het uitspreken realiseer ik me dat dit een retorische- en vooral domme vraag is.
zelfs de nu geregelde- en zwaar bewapende tamil-activist, die mij in zijn tuk-tuk taxi in gijzeling zal nemen, is uiteraard betrouwbaar.

twee bijna identieke verpleegstertjes staan met hun handen op de onderrug licht achterovergeleund tegen een klein polikliniek bed.
ze kijken me een beetje onbehaaglijk maar glimlachend aan en lijken zo van een filmset gestapt te zijn.

keurig gekleed in een smetteloos wit rokje; wit kapje op het hoofd (het rode kruisje ontbreekt), lange lichtbruine sokken tot onder de knieën en zwart glimmende lakschoentjes.
een rood strikje bij het boord van het keurig gestreken blauwe overhemd (met dunne witte verticale streepjes) maakt het af.
ik heb spijt dat ik mijn camera niet heb meegenomen.

ik kijk om me heen, de eenvoudige kamer van de kliniek meet niet meer dan 2,5 bij 3,5 meter. een simpel en klein bureautje met twee stoelen, een derde deur naar een aangrenzend vertrek staat open.
in het midden van die kamer ligt een bruinrode plastic tuinstoel ondersteboven.
vreemd beeld. een stille getuige van een medische worsteling?

tegen een muur ontdek ik een kast met medicijnen.
een kast kan je het eigenlijk niet noemen, het lijkt verdacht veel op een glazen kermisvitrine waar normaal allerlei surprises in zitten, die je er met een grijpkraantje uit kan halen.
honderden verschillende medicijnen in verpakking liggen willekeurig uitgestort als een soort zandloperberg tot de helft van het vitrineglas.

de dienstdoende arts ontbreekt nog in het plaatje. af en toe wordt door de linker verpleegkundige zenuwachtig op een dichte deur geklopt.

als die deur uiteindelijk opengaat zie ik geen strakke witte doktersjas, maar een gezette indiër wiens khakikleurige broek nodig gewassen moet worden.
een ranzige polo, met kleuren die al lang niet meer aan het modebeeld voldoen, siert zijn bovenlichaam.

de schijnbaar aangewezen medische autoriteit loopt de kamer in, bedenkt zich, stopt de ingezette beweging en neemt mij nu goed op.
ondanks mijn reeds door de tropenzon donker gebruinde huid lijkt hij nu te beseffen dat daar geen local zit.
na deze constatering besluit hij de tot nu toe ontbrekende stethoscoop om zijn nek te hangen.

wat het probleem is, en of ik gisteren in een zwembad heb gezwommen, wordt mij met een uitdrukkingsloos gezicht gevraagd.
tijdens deze vragen, achteroverhangend in zijn bureaustoel, drukt hij de gespreide vingers van zijn beide handen met de toppen tegen elkaar.

belangrijk voor zijn diagnose is ook waar ik mijn geld mee verdien. de stethoscoop wordt vervolgens tegen mijn rug gedrukt.

ondertussen kijken de verpleegsters geconcentreerd en gespannen de dienstdoende arts aan, alsof ze bij het eerste commando voorheen gestaakte medische experimenten op mij voort zullen zetten (die niet konden worden afgemaakt omdat de vorige patiënt is ontsnapt, wat die omver geplaatste bruinrode plastic tuinstoel zou verklaren).

‘it’s OK’, geeft de arts echter te kennen, dit visueel onderbouwend met een wiegelende india-knik, alsof zijn hoofd links en rechts niet goed vastzit.
‘it’s an allergy’. ‘swimming pool’ wordt als verklaring gegeven, waar ik overigens niet eens in gezwommen heb.

vervolgens wordt ik naar de experimentenkamer gedirigeerd, de bruinrode plastic tuinstoel wordt door een van de verpleegsters haastig recht gezet.
in deze stoel wacht ik gespannen af wat komen gaat.

zuster 1 pakt een half rond roestvrijstalen schaaltje.
‘nu komt eindelijk de verlichting’ denk ik, ervan uitgaande dat mijn ogen nu gedruppeld worden en het schaaltje dient om overvloedig vocht op te vangen.
maar mijn naïviteit wordt snel verstoord, een stukje hechtpleister en watje worden aan het roestvrijstalen schaaltje toegevoegd.
met een klap ben ik terug in de werkelijkheid; uhhm, een injectie?
lijsten vol medische adviezen voor tropen-ellende razen met lichtsnelheid door mijn hoofd, waar privékliniekjes geen deel van uitmaken…

onzeker sla ik een van de tweelingzusters gade. er wordt gegoocheld en geschud met grote ampullen met vloeistof.
zuster 2 grijpt een bruin griebusbandje, wat lijkt te zijn gestript van een elektrische stoel.
de aderen van mijn rechterhand zwellen op als het martelwerktuig vervolgens om mijn pols wordt gespannen.

ik vraag beleefd wat de bedoeling is, in mijn achterhoofd een ontsnappingsroute plannend.
de verpleegster antwoordt in gebrekkig engels dat zij mij een injectie in mijn ‘vanes’ gaat geven, met haar wijsvinger op het doelgebied wijzend.
‘dat begrijp ik, maar waarom en wat gaat u injecteren?’ vraag ik nadrukkelijk opnieuw in het engels, een lichte paniek onderdrukkend.
als een papegaai herhaalt ze het eerste antwoord. het engels van deze verpleegsters gaat blijkbaar niet verder.
‘it’s OK’, geeft de arts opnieuw als een echo van achter beide dames te kennen.

de prik-zuster mixt geconcentreerd de cocktail naar een nieuw hoogtepunt.
nog net zie ik dat een nieuwe naald met een knakbeweging vanuit een steriele buis op de spuit wordt geplaatst.
tevens wordt de laatste lucht uit de spuit en naald geduwd, zodat een verrassing van luchtembolie in hart of hersenen mij blijft bespaard.
deze waarneming beslecht mijn tweestrijd tussen twijfel en de laaiende brand in mijn ogen.
‘het is niet anders’ berust ik terwijl mijn bovenhand wordt ontsmet.

na de hopelijk medisch verantwoorde behandeling word ik terug naar de inschrijfbalie geleid, waar pilletjes in papieren zakjes worden gedaan.
een rekening van 135 rupee wordt gepresenteerd.
wijzend op een onleesbaar handschrift wordt uitgelegd dat de inhoud van de 3 zakjes een mix voor de komende 3 dagen zijn.
ondertussen vraag ik me af of deze pilletjes uit de kermiskast komen.

op het parkeerterreintje aangekomen doet alles het nog aan mijn lijf.
ik ben niet verlamd voorovergesmakt in het grauwe gravel van chronisch olie lekkende voertuigen, dus mag ik plaatsnemen in de tuk-tuk, om het parcours terug af te leggen.

het geronk stopt echter al na 20 meter, een grijnzende bewaker steekt zijn hoofd naar binnen.
of ik wat te roken heb, vertaalt de tuk-tuk chauffeur het fonetische recept dat ik naar mijn hoofd geslingerd krijg.
‘roken is slecht voor je lijf, helemaal als je bent aangewezen op onduidelijke medische zorg van lokale klinieken’ is mijn ondankbare antwoord,
wetende dat het engels door beiden nooit vertaald zal worden.

wegens het ontbreken van rookwaar wordt door de twee overgegaan naar het volgende punt; het reinigen van de voorruit van de driewieler.
dit met de inhoud van een flesje tonic, omdat water niet voorhanden is.
het ruitenwissertje doet schokkend zijn best de aangekoekte verkeerschaos te verwijderen.
‘misschien ziet ie de gaten in het wegdek nu beter’ denk ik, terwijl we onder de geopende slagboom door terughobbelen.

voor de ingang van het hotel wring ik mij uit de gemotoriseerde tor, de chauffeur vragend wat de schade is.
800 rupee komt het voorzichtige antwoord en hatsjikidee; voor 300 rupee word ik nu getild.
maar ik duw de man 1000 rupee in zijn hand en zeg dat het goed is, de vuurhaard in mijn ogen neemt reeds merkbaar af.

zonder zijn begeleiding was ik waarschijnlijk helemaal aan de goden overgeleverd.
dankbaar zeg ik gedag en loop naar binnen richting receptie.

local support [ sri lanka ]

error: Notice: panholland content is copyrighted